![]() Botsen over het begin Bavincklezingen 2009 Redactie K. van Bekkum, en G. Harinck Nederlands Dagblad, Barneveld 2010 ISBN 978 90 72801 53 pagina’s €7,50 |
Helderheid nodig!
Er zijn in de discussie minstens vijf invalshoeken, die essentieel zijn. Ik noem ze met bij elk een voorbeeld ter toelichting.
Wat de Bijbel betreft gaat het dan om:
Wat de uitgangspunten of, de voorvragen betreft noem ik:
Wat de natuurwetenschap betreft, noem ik:
Als er geen helderheid is op deze terreinen blijft de discussie vaak steken in een spraakverwarring.
Een voorbeeld van de hierboven genoemde spraakverwarring uit het Woord
vooraf van dit boekje: ‘… was het christelijk geloof nu wel of niet in
overeenstemming te brengen met de feiten uit de wetenschap?’. Het
begrip ‘de feiten’ zet de lezer op het verkeerde been. In de praktijk
blijkt het te meestal gaan om interpretatie van feiten en dat is iets
heel anders!
Een discussie is meer dan poneren
Een tweede opmerking vooraf. Vele discussies worden ontsierd doordat ze
lijken op een gesprek tussen doven. De deelnemers kunnen wel praten
maar niet luisteren. Dat is mijn ervaring ook in discussies over de
vragen rondom schepping en/of evolutie. Het vertoont vaak het beeld van
het vanuit eigen bolwerk schieten op het bolwerk van de ander. Dat
richt over het algemeen niet zo veel schade aan maar het is ook weinig
bevredigend of vruchtbaar.
Nu is het natuurlijk begrijpelijk en zinnig om in eigen kring bezinning
te houden om het eigen standpunt beter te onderbouwen. Dat geldt zowel
voor creationisten als voor theïstisch evolutionisten. Je kunt dan
schrijven en spreken over de andere partij zonder dat die zich tekort
gedaan hoeft te voelen.
Maar het wordt anders als je de pretentie hebt om in discussie te gaan
met andersdenkenden. Dan dien je te zoeken naar wat je
gemeenschappelijk hebt om van daaruit te praten over wat scheidt. En
bovendien zou je je dan niet moeten concentreren op je eigen
(vermeende) sterke punten, maar vooral op de sterkste argumenten van de
andere partij. Dan wordt de discussie een gesprek, de ander geen
tegenstander maar naaste en dan gaat het niet meer om het eigen gelijk
maar om samen te zoeken naar de waarheid.
Ik heb niet de indruk dat de discussies of debatten in het Darwinjaar
aan deze norm voldeden. Evenmin als ‘discussies’ en publicaties in de
jaren daarvoor. Te vaak werd ‘voorgeselecteerd’ op openheid richting,
of instemming met het theïstisch evolutionisme. Dat is een teken van
zwakte! Het brengt eerder scheiding dan toenadering, het komt de
onderbouwing van de standpunten ook niet ten goede. Aan het eind van
deze recensie zal mijn conclusie zijn, dat we in de opzet van deze
discussie ook te maken krijgen met ‘poneren’.
Maar laat ik nu ingaan op de inhoud van de brochure.
Bijdrage 1. De geschiedenis van het evolutiedebat door Ab Flipse
Ab Flipse, VU-onderzoeker en wetenschapshistoricus, geeft een overzicht
van de geschiedenis van het evolutiedebat in gereformeerde en
rooms-katholieke kring. Ik kan er kort over zijn: het is helder
geschreven en goed gedocumenteerd. In katholieke kring is er meer
weerstand geweest tegen de evolutietheorie dan wel wordt gedacht. In
orthodox-protestantse kring waren van meet af sommige theologen bereid
om Genesis 1 zo te herinterpreteren, dat er ruimte kwam voor
aanvaarding van onderdelen van de evolutietheorie. Dat werden er in de
loop van de tijd veel meer. Flipse gaat niet in op de vraag of daarmee
hun ‘orthodoxie’ niet op het spel komt te staan. Dat is begrijpelijk:
hij beschrijft maar geeft geen commentaar.
Toch zou het hem gesierd hebben als hij een andere conclusie had
verwoord, die op grond van zijn onderzoek duidelijk is. Laat ik dat
toelichten.
De Darwinistische theorie over evolutie door natuurlijke selectie had na een jaar of 50 gefaald. Ze ‘verkeerde
rond 1900 namelijk in verval, omdat ze een groot aantal problemen niet
had kunnen oplossen. Zo was niet duidelijk hoe de erfelijkheid werkte,
ontbraken paleontologische overgangsvormen en wezen natuurkundige
berekeningen op een aarde die veel jonger was, dan werd aangenomen.’ Maar
dan komt de ‘neodarwinistische synthese’ die lange tijd soelaas biedt.
Inmiddels is de laatste tien jaar duidelijk geworden, dat ook die
theorie niet klopt.
De conclusie moet zijn, dat alle aanpassingen van de Bijbeluitleg door
theologen (vanwege de vermeende juistheid van de evolutietheorie) bijna
150 jaar berustten op een misplaatst vertrouwen in Darwin en zijn
opvolgers. Bovendien blijkt dat het Darwinisme en neodarwinisme hebben
bijgedragen aan een onvruchtbaar paradigma in de biologie.
Maar ik kan me voorstellen, dat Flipse dat niet heeft vermeld. De ‘les der geschiedenis’ is niet altijd populair.
Bijdrage 2. Ard Louis
Over de bijdrage van de tweede spreker, Ard Louis, onderzoeker in
Oxford, kan ik kort zijn. Zijn lezing mist en in plaats daarvan is
alleen de bijdrage in de krant opgenomen. Die is teleurstellend qua
inhoud en argumentatie.
Louis gelooft dat de Bijbel het ‘historisch betrouwbare Woord van God
is’. Daar bedoelt hij mee, dat de Bijbel een theologische verhandeling
biedt met een ‘theologische waarheid’, zonder dat dat betekent dat het
echt zo in de tijd heeft plaats gevonden. Als dat zo is, vind ik het
misleidend om te spreken over ‘historisch betrouwbaar’. Als in ‘de
theologische waarheid over het gebeuren in de geschiedenis’ geen plaats
is voor historiciteit, ontneemt dat die waarheid haar betekenis. Zonder
historiciteit is het verhaal van de opstanding leeg. Zonder schepping
en zondeval wordt Genesis 1-3 een mythe. Het gaat hier om grondvragen
in de hermeneutiek en om het gezag en de betrouwbaarheid van de Bijbel.
Hij onderbouwt zijn stelling met twee retorische vragen. ‘Zou het
kunnen zijn’. Daarbij extrapoleert hij zonder enig argument van
micro-evolutie naar macro-evolutie. De argumenten ontbreken. Deze
bijdrage uit de krant is daarom onder de maat.
Bijdrage 3. Geloof in de wetenschap door Evert van der Heide
De derde lezing is van Evert van der Heide over ‘Geloof in de
wetenschap’. Hij lijkt in de opzet van de lezingen de vertegenwoordiger
van het creationisme. En de inzet is veelbelovend: je mag verwachten
dat nu ook de voorvragen uit de verf komen.
Van der Heide maakt duidelijk dat binnen de natuurwetenschap nog geen
samenhangend en overtuigend bewijsmateriaal voorhanden is voor de
evolutietheorie. Hij doet dat op een sympathieke wijze, die naar mijn
mening ook voor evolutionisten aanvaardbaar is. Maar hij gaat nog een
stap verder.
De natuurwetenschappelijke gegevens wijzen sterk op doelgerichtheid in de schepping. ‘Samenvattend:
analogie, kansberekening, onherleidbare complexiteit, gespecificeerde
complexiteit en observatie van grenzen aan variatie en selectie: het is
een reeks die in toenemende mate het bestaan van ontwerp, van
finaliteit, in de schepping aannemelijk maken. Mijns inziens
uiteindelijk overtuigend.’.
Het is een goede bijdrage aan de wetenschapstheoretische bezinning op
de natuurwetenschappelijke methode. Maar hoe waar het ook moge zijn,
het is geen probleem voor wie geloof in de Bijbel én in de
evolutietheorie wil combineren, zoals in het theïstisch evolutionisme.
Aan het eind van zijn artikel blijkt deze indruk terecht. Van der Heide
pleit er voor om in de natuurwetenschap ruimte te laten voor
‘finaliteit’ als methodisch principe. Maar hij gaat voorbij aan de
hermeneutische en exegetische vragen en lijkt toch gewonnen voor de
opvatting, dat de evolutietheorie in grote lijnen juist is. ‘Recente
gegevens vanuit de wetenschap, betreffende het heelal, de aardlagen en
fossielen, en de overeenkomsten in het DNA tussen aap en mens, lijken
een lange tijdschaal en gemeenschappelijke afstamming te bevestigen.’ Let op het woord ‘gegevens’, met de suggestie van feitelijkheid en objectiviteit.
Wat voor Van der Heide dan overblijft is een conclusie, waarbij de historiciteit van Genesis 1 geen rol meer lijkt te spelen. ‘Belangrijker
nog dan de vraag van schepping zijn de vragen rond zondeval, verlossing
en wederkomst. Zolang de wetenschap uitgaat van causaliteit is dat een
te beperkte basis. De hele Bijbel spreekt van finaliteit, van een God
die een doel voor ogen heeft en bezig is om dat te realiseren. Dat
mogen we zeker weten en vast vertrouwen.’
Het minder belangrijke, de vraag rond de schepping, legt het loodje ter
wille van het meer belangrijke. Dat is een kwaad, dat je steeds weer
tegenkomt in discussies: de stilzwijgende suggestie dat je los kunt
laten wat ‘minder belangrijk is’. Dat ís een onlogisch en onheilzaam
hellend vlak!
Van der Heide blijkt geen goede vertegenwoordiger van het creationisme.
Die vrijheid heeft hij. Het is alleen teleurstellend dat de
organisatoren van de lezingen dan geen ander hebben gevraagd. Het wekt
bij mij de indruk van een gebrek aan moed, van angst om het
creationisme recht te doen.
Bijdrage 4. Van creationist tot kosmologisch agnost door Willem Ouweneel
De laatste lezing is van Willem Ouweneel, voormalig creationist. Hij
beschrijft hoe hij er toe kwam om het creationisme los te laten. Het is
het herkenbare verhaal van iemand, die te veel vertrouwen stelde op
(creationistische) wetenschap en teleurgesteld het kind met het
badwater weggooide. Dat gold echter niet alleen vanwege onjuiste
natuurwetenschappelijke argumentatie. Misschien nog belangrijker was
zijn principiële geestelijke koersverandering wat betreft het gezag van
de Bijbel.
Nu is het verkwikkend, dat in zijn bijdrage eindelijk de fundamentele
vragen aan de orde komen, zeker op het gebied van de hermeneutiek en de
exegese. Daarbij vat hij samen wat hij veel uitgebreider betoogt in ‘De
schepping van God’. Ik heb dat boek hier
besproken en de argumenten weerlegd als in strijd met het gezag van de
Bijbel, innerlijk tegenstrijdig en exegetisch niet steekhoudend.
Ouweneel heeft die kritiek naast zich neergelegd en er niet op
gereageerd. Dat is zijn goed recht. Maar het is ook een teken van
zwakte waardoor hij voor mij op dit punt vooralsnog niet serieus te
nemen valt.
Vervolgens laat Ouweneel zien, dat de evolutietheorie grote lacunes
heeft, die (nog) niet oplosbaar zijn. Niet alleen op het gebied van
bijvoorbeeld biologie, maar ook op het gebied van de basis van het
materialisme als onderliggende levensbeschouwing.
De conclusie is voor Ouweneel dat hij het niet meer weet: hij is agnost
als het gaat om de wordingsgeschiedenis van deze wereld. Daar valt
echter nog wel iets meer over te zeggen. In de praktijk blijkt hij
dicht uit te komen bij het standpunt van Van der Heide. Hij neigt tot
het aanvaarden van een ‘beperkte evolutietheorie’: een model waarbij de
algemene evolutietheorie wordt aangevuld met sturing, leiding,
eventueel bijzonder ingrijpen van God.
Kortom: een vorm van theïstisch evolutionisme, waarbij hij wat minder
geloof heeft in de reikwijdte en geldigheid van de evolutietheorie dan
anderen. Het maakt overigens niet veel uit in het kader van de
discussie tussen creationisten en theïstisch evolutionisten:
Tot slot
De brochure heet ‘Botsen over het begin’. Dat ‘botsen’ komt niet uit de
verf doordat het creationisme niet voldoende ruimte heeft gekregen
(waarbij de redenen daarvoor helaas niet duidelijk worden). Dat is
jammer, want er valt best een zinvolle discussie te voeren als BEIDE
partijen de ruimte krijgen!
| De recensist drs. J. A. van Delden is voormalig directeur van de Evangelische Hogeschool en maakte in het verleden voor de EO programma’s over het ontstaan van de aarde. |